U bezoekt onze website met een verouderde browser, waardoor onze website niet correct wordt weergegeven.
Wij adviseren Internet Explorer 9, 10 of 11 (zonder compatibiliteitsmodus), of een recente versie van Microsoft Edge, Google Chrome, Mozilla Firefox, Apple Safari.

Een wereld vol mogelijkheden

Toetsen en normering

Er zijn verschillende soorten toetsen:

  • Een proefwerk is een klassikale schriftelijke toets, waarin de lesstof van vier of meer lesuren wordt getoetst. In principe mag er maximaal één proefwerk per dag opgegeven worden. Een proefwerk wordt minstens 5 lesdagen van tevoren aan de klas opgegeven. Een proefwerk mag niet onverwacht worden verschoven. De stof voor het proefwerk wordt duidelijk omschreven en dient uiterlijk twee dagen voor het proefwerk te zijn afgehandeld. Een proefwerk dat door onvoorziene omstandigheden geen doorgang heeft kunnen vinden, kan de volgende les worden afgenomen, ook als daar op die dag al een ander proefwerk staat. Proefwerken en so's worden gemaakt op groot/klein proefwerkpapier. Leerlingen in de onderbouw ontvangen de proefwerkpapier blokken bij de boeken. In de bovenbouw wordt het papier door de school verzorgd.
  • Een aangekondigde of onaangekondigde schriftelijke overhoring is een klassikale schriftelijke toets waarin de behandelde stof van maximaal drie lesuren wordt getoetst.

Toetsen dienen te worden nabesproken. De normering van de toets moet door de docent aan de klas worden bekendgemaakt en zo nodig worden toegelicht. Een leerling heeft altijd recht op inzage in zijn toets. Er dient te worden gestreefd naar gelijkwaardigheid van proefwerken in parallelklassen. Binnen 1 week nadat de cijfers aan de leerlingen zijn bekend gemaakt, zijn deze ingevoerd in Magister.
Bij geoorloofde afwezigheid tijdens een toets heeft de leerling het recht op inhaalmogelijkheid van de betreffende toets. Bij ongeoorloofde afwezigheid of fraude kan de docent het cijfer één toekennen. Voor leerjaren waarin een deel van het eindexamen wordt afgenomen gelden de regels van het examenreglement en van het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA). Voor werkstukken geldt dat van tevoren duidelijk moet zijn aan welke voorwaarden het werkstuk moet voldoen en wanneer het bij de docent moet worden ingeleverd. De docent dient duidelijk aan te geven wat de consequenties zijn van het niet tijdig inleveren van een werkstuk. Bij fraude of het te laat inleveren van het werkstuk kan de docent het cijfer één toekennen. Werkstukken dienen door de docent uiterlijk twintig lesdagen na de inleverdatum gecorrigeerd aan de leerlingen te worden teruggegeven.

Rapportcijfers worden voor elk vak samengesteld uit de cijfers verkregen voor proefwerken, schriftelijke en mondelinge overhoringen, werkstukken, practica en spreekbeurten. Een cijfer voor een proefwerk telt altijd zwaarder mee dan een cijfer voor een overhoring. De afspraken binnen de sectie over de berekeningswijze van het rapportcijfer dienen aan het begin van het schooljaar voor alle vakken en voor elk rapport aan de leerlingen bekend te worden gemaakt. Voor de bovenbouw liggen de afspraken vast in het PTA.
Iedere leerling in de onderbouw heeft recht op minimaal zoveel schriftelijke toetsen per vak per rapportperiode als het wekelijks aantal lessen in dat vak. In de bovenbouw wordt het aantal toetsen per periode bepaald door het PTA. Studieresultaten worden beoordeeld aan de hand van cijfers op de schaal 1-10 en de tussenliggende waarden. Huiswerk dient door de docent duidelijk te worden opgegeven. Een leerling, die niet in de gelegenheid is geweest het huiswerk te maken, meldt dit met opgave van redenen aan het begin van de les bij de docent. Als een docent van mening is dat een leerling zijn huiswerk te vaak niet (voldoende) maakt, kan hij sancties treffen conform art. 23 van het Algemeen Schoolreglement | Leerlingenstatuut.